Bejaagbaar wild in WBE de Lauwers, Schadesoorten


1. De haas     
De haas komt in heel Nederland voor, veelal in bewoond agrarisch gebied. De soort is herkenbaar aan de lange oren, stevige achterpoten en de amberkleurige ogen. Zowel het mannetje (de rammelaar) als de vrouwelijke haas (de moer) mogen van 15 oktober tot en met 31 december van zonsopgang tot zonsondergang worden bejaagd.

2. De wilde eend. 
De wilde eend is slechts een van de vele eenden soorten die in Nederland voorkomen. De mannelijke wilde eend, de woerd, kenmerkt zich door de glanzende groene kop en het grijze en bruine lijf. Het wijfje, het eendje genaamd, is voornamelijk bruinkleurig. De vogel is te vinden in grote delen van Europa. In Nederland zijn het gehele jaar eenden te vinden maar vooral in de winter stijgt hun aantal: tussen de half en één miljoen overwinteren hier. Wilde eenden zijn voornamelijk te vinden in waterrijke gebieden. De wilde eend mag bejaagd worden in de periode 15 augustus tot en met 31 januari.

3. De fazant
De fazant is een veelvoorkomende hoendersoort in Nederland en is vooral te vinden in een vochtige omgeving waar tevens de nodige dekking te vinden is. Het diersoort leeft in groepen en is voornamelijk overdag actief. De jacht op fazanten kent twee openingstijden. Op de haan mag tussen 15 oktober tot en met 31 januari worden gejaagd; de jacht op de hen sluit een maand eerder, namelijk op 31 december. Voor beide geslachten geldt dat alleen tussen zonsopgang en zonsondergang mag worden gejaagd.

4. Het konijn  
Het konijn is één van de vijf bejaagde wildsoorten. Dit wil zeggen dat er tijdens het jachtseizoen op gejaagd mag worden. Het jachtseizoen voor konijnen loopt van 15 augustus tot en met 31 januari. Konijnen kunnen lokaal veel schade aanrichten; in heel Nederland mag de schade gedurende het gehele jaar met het geweer bestreden worden.(zie ook hieronder Landelijke schadesoorten)

5. De houtduif 
De houtduif,  (bosduif, ringduif, koolduif, of in jagerstaal: blauwe) is de grootste van de in Nederland voorkomende duivensoorten. Het verspreidings- en broedgebied beslaat Europa, West-en Midden-Azië, Noord-Afrika, het Middellandse Zeegebied tot in India. In winter en voorjaar komen grote groepen blauwen van de Scandinavische landen naar Nederland. De houtduif is een handige, onvermoeibare vlieger, met een licht dwarrelende vlucht. De bejaagbare periode is van 15 oktober tot en met 31 januari behoudens de opmerkingen onder Landelijke schadesoorten (hieronder nader aangegeven)

6. De patrijs
Hoewel de patrijs volgens de Flora- en Faunawet tot de zes wildsoorten hoort, komt de patrijs tot op dit moment zo weinig voor, dat de soort op de Rode lijst staat. De jacht op de patrijs is dus niet geopend! 
De Stichting Beheer Natuur en Landschap stimuleert de Wildbeheereenheden (WBE's) om maatregelen te treffen tot herstel van de patrijzenpopulaties. Dit gebeurt door het aanbrengen van meer variatie in het landschap, het aanbrengen van broeddekking en het inzaaien van 'patrijsvriendelijke' gewassen, die veel door insecten worden bezocht.

LANDELIJKE SCHADESOORTEN
Konijn, houtduif, zwarte kraai, kauw, vos, Canadese gans



                 


    


Ten aanzien van deze landelijke schadesoorten is het de grondgebruiker bij ministeriële regeling toegestaan om bepaalde handelingen te verrichten op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Deze landelijke vrijstelling biedt de mogelijkheid om belangrijke schade te voorkomen of te beperken. De grondge­bruiker is onder meer bevoegd om bijvoorbeeld de dieren, behorende tot de landelijke schadesoorten, te doden, opzettelijk te verontrusten (verjagen), nesten weg te nemen of eieren te rapen. Door de vrijstelling kan de stand van deze dieren door mid­del van onder meer afschot worden gereguleerd. Hetgeen inhoudt dat deze dieren het hele jaar mogen worden gedood, indien er binnen het werkgebied van de WBE op tenminste één perceel schade is of dreigt in het huidige of het komende jaar aan landbouw en/of fauna. Indien gebruik gemaakt wordt van een geweer is een jachtakte vereist evenals een schriftelijke toestemming van de grondgebruiker. Tevens is de 40 ha-regeling van toepassing.

Behalve de landelijke schadesoorten is bij algemene maatregel van bestuur een aantal dier­soorten aangewezen die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanrichten: de zogenaamde provinciale schadesoorten.

PROVINCIALE SCHADESOORTEN:
Bosmuis, brandgans, ekster, grauwe gans, haas, holenduif, huismuis, kauw,
kleine rietgans, knobbelzwaan, kolgans, meerkoet, rietgans, ringmus, roek, rotgans, smient, spreeuw, veld­muis, wilde eend.

Provincies kunnen in een verordening aan grondgebruikers bepaalde handelingen toestaan ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Het gaat hier om handelingen zoals het verjagen of verontrusten of doden van dieren. De soorten waarvoor zo’n verordening kan worden vastgesteld zijn de provinciale schadesoorten. Gelet op de regionale verschillen ten aanzien van het voorkomen van de soort en eventuele schade is het mogelijk dat provinciale verordeningen onderling sterk verschillen.

De grondgebruiker kan overigens aan anderen schriftelijke toestemming geven om de hem toegestane handelingen uit te oefenen. Uiteraard dienen bij de uitoefening van de toege­stane handelingen in het kader van beheer en schadebestrijding de overige bepalingen van de Flora- en faunawet in acht te worden genomen (middelen, jachtakte, 40-hectare eis, etc.).

Individuele ontheffingen (art. 68 Flora- en faunawet)
Het is mogelijk om gedeputeerde staten een ont­heffing te vragen van bepaalde verboden, bij­voorbeeld een ontheffing om beschermde inheemse dieren in het kader van beheer en schadebestrijding te verontrusten of te doden. Gedeputeerde staten kunnen een dergelijke ont­heffing onder strikte voorwaarden en op bepaalde gronden verlenen, zoals ter voorkoming van belangrijke schade aan de landbouw en schade aan flora en fauna. In beginsel wordt een derge­lijke ontheffing slechts verleend aan door gedepu­teerde staten erkende faunabeheereenheden op basis van een door gedeputeerde staten goed­gekeurd faunabeheerplan. Het is echter in enkele gevallen ook mogelijk om een dergelijke onthef­fing aan anderen dan faunabeheereenheden te verlenen, bijvoorbeeld indien het gebied waar de handelingen worden verricht niet is gelegen in een gebied waarover zich de zorg van een fauna­beheereenheid uitstrekt. Alvorens van de onthef­fing gebruik kan worden gemaakt, dient de grond­gebruiker wel schriftelijk toestemming te hebben verleend voor het betreden van de door hem gebruikte gronden of opstallen.

Opdracht beperken stand van bepaalde diersoorten (art. 67 Flora- en faunawet)
Gedeputeerde staten kunnen (categorieën van) personen aanwijzen om de stand van bepaalde diersoorten (met het geweer) te beperken, eventueel ook zonder toestemming van de grondgebruiker. Het kan daarbij gaan om de volgende diersoorten (o.a. alle exoten en verwilderde dieren).

Beverrat, damhert, edelhert, grauwe gans, knobbelzwaan, konijn, wasbeerhond,
muntjak, muskusrat, nijlgans, Indische gans, ree, rosse stekelstaart,
Siberische grondeekhoorn, verwilderde duif, verwilderde gedomesticeerde gans/soepgans, verwilderde kat, verwilderde nerts, wasbeer en wild zwijn.

De aanwijzing is vergelijkbaar met het vroegere artikel 54 van de Jachtwet.

Overgang Jachtwet/Flora- en faunawet
De vergunningen die nog onder de Jachtwet door of namens de Minister zijn verleend blijven geldig voor de duur waarvoor ze zijn verleend. Wel dient de grondgebruiker schriftelijke toestemming te hebben gegeven voor het betre­den van de door hem gebruikte gronden of opstallen.

Bestaande onder de Jachtwet opgestelde jachthuurovereen­komsten zijn door de Flora- en faunawet beperkt tot de huur/verhuur van het genot van de jacht ten aanzien van de genoemde zes wildsoorten. Op grond van deze jachthuur­overeenkomsten mag in de beschermde natuurmonumenten als bedoeld in de Natuur­beschermingswet of Wetlands of Vogelrichtlijngebieden per 1 april niet meer worden gejaagd, behalve in het kader van beheer en schadebestrijding (bijvoor­beeld op grond van art. 65, 68 of 67 van de Flora- en faunawet).